
Het westen van het eiland is het minst dichtbevolkte gebied.
Je kunt het beste langs de kust gaan via Meloneras en Pasito Blanco, dan kom je vanzelf in de gemeente Mogán. Vanaf de weg zie je spectaculaire steile rotswanden. Aan de voet hiervan liggen belangrijke ravijnen van het eiland vernoemd naar de stranden van deze gemeente. Het is aan te bevelen even in de haven van Arguineguín te stoppen en te genieten van dit vissersdorpje en de gezellige stranden. Wanneer je deze westelijke route vervolgt, kom je langs de stranden van Patalavaca, met goudgeel zand, La Verga en Anfi del Mar, een watersport centrum. Daarna langs de kustplaatsen Puerto Rico, Amadores, El Cura, Tauro en Taurito, waar ook uitstekende toeristische voorzieningen zijn en waar men allerlei soorten watersporten kan beoefenen. Aan het eind van deze route komen we bij de haven van Mogán, een prachtige urbanisatie, keurig verzorgd, zowel voor wat betreft de architectonische details als de traditionele versieringen. In de haven van Mogán kun je op een van de talrijke terrassen of in de restaurants genieten van verse vis.





De havens van Arguineguín, Anfi del Mar, Puerto Rico en Mogán zijn uitermate geschikt voor het organiseren van diepzeevisvangst excursies. Hierbij zijn maar liefst 72 wereldrecords geregistreerd van de vangst van verschillende vissoorten, waaronder in het bijzonder de blauwe marlijn. Zoals in bijna elke haven van het eiland kun je er boten met of zonder bemanning huren om door rustige wateren te varen.
Vanuit de haven van Mogán loopt de weg naar het binnenland van het eiland. Na ongeveer acht kilometer komen we bij de vallei van Mogán, waar, op slechts 8 kilometer van de haven, een heerlijk subtropisch klimaat heerst met vruchtbare grond en aangename temperaturen gedurende het hele jaar. Vanaf de prachtige stadskern van het dorp Mogán, kun je de laatste uitlopers van de centrale bergketen die tot de top van het eiland loopt, zien liggen. Daar begin je het dennenbos te ruiken. De Unesco beschouwt het microklimaat van Mogán als het beste ter wereld.
Voorbij dit dorp en vóór La Aldea de San Nicolás, dat precies halverwege de westkust en in het midden van de monding van een breed ravijn ligt, kom je onder meer langs de maagdelijke en verscholen stranden van Veneguera, El Perchel, Tasarte en Güi-Güi. Je kunt hier alleen komen als je van de weg afgaat en lopend over zandweggetjes door de ravijnen slingert. Soms kun je er alleen met de boot komen.
La Aldea is hoofdzakelijk een agrarische gemeente en een van de belangrijkste fruit- en tuinbouw producenten van de Canarische Eilanden. In deze plaats, waar ook de visserij zich aan het ontwikkelen is, wordt het bijzondere Fiesta del Charco gevierd. El Charco is een lagune die ontstaan is door het samenkomen van de zee met het water uit de bergen. In deze lagune zitten vissen die ‘lisas’ genoemd worden die ze het hele jaar laten groeien, tot 10 september, de dag van feest. Dan springen honderden mensen in het water om ze op wat voor manier dan ook te vangen, zelfs met blote handen.


Wanneer je Aldea verlaat en verder trekt naar het noordwesten, richting Agaete, kom je langs de verrassende Andén Verde, een indrukwekkende steile rotswand van 600 meter hoog en de Tirma berg. Op 1.007 meter hoogte ligt de Roque Faneque. Verderop volgen de dennenbossen elkaar op tot je bij Agaete komt. Het bezoek aan het westen van Gran Canaria via de zuidelijke route eindigt in de baai van Puerto de las Nieves. Als je de noordelijke route neemt, is dit het beginpunt.
Als je de route vervolgt naar Las Palmas de Gran Canaria, en in het geval je ook vanuit de hoofdstad vertrokken bent, heb je het zogenoemde ‘rondje eiland’ gedaan. Dit geldt uiteraard ook voor elk ander vertrekpunt van het eiland.